Een interpellatiedebat in Barendrecht

“College Uitermate Teleurstellend” zo startte Jan Jippes namens de VVD fractie zijn inbreng na de beantwoording door het college van de vragen die in het interpellatiedebat tijdens de raad van 13 september 2016 door alle oppositiepartijen aan het college waren gesteld.

© public domain

Het college had er niet voor gekozen om de vragen als collectief te beantwoorden maar iedere wethouder gaf op een groot aantal vragen de eigen visie en beleving weer. Daarmee was de eenheid van bestuur niet hoorbaar en niet zichtbaar. De inbreng van de VVD was verder als volgt:

College Uitermate Teleurstellend dat is het oordeel van de VVD–fractie over de beantwoording door de collegeleden.

Wij hebben als fractievoorzitters van de coalitie geconstateerd dat het college de kracht hervonden had en het is stuitend om te horen en te zien dat deze kracht niet is aangewend om samen te binden maar is gebruikt om te divergeren. Met name de beantwoording op de vragen 12, 13 en 14 heeft onze fractie in niet tevreden gesteld.

Dat vraagt misschien  om een wijziging van de inzet van de hervonden krachten om in plaats van te divergeren juist de krachten te richten op het samenbinden. Als coalitiepartijen hadden we gehoopt dat uit de beantwoording door het college een duidelijke uitstraling over de bestuurbaarheid van Barendrecht naar voren zou komen.  Dat hebben we niet gezien.

Het college was goed op weg dat blijkt uit de uitvoering van het coalitieprogramma en de midterm rapportage die we daarover mochten ontvangen.

Het is zonde dat om wat voor reden dan ook, en de VVD fractie vindt eensgezind dat van Noort de prille relatie eerder had moeten melden (red: waarvoor hij excuus maakte), dat dit programma niet kan worden afgerond.

De eenheid die het college moet uitstralen hebben we vanavond niet gezien en gehoord.

Op een interruptie van Mevrouw Roopram (PvdA) of er een toekomst is voor dit college: antwoordde de VVD dat de druk die de fractievoorzitters van de coalitie op het college hebben gelegd kennelijk niet op de goede plek is neergelegd en moeten we als VVD dat heroverwegen.

Einde inbreng

Op dinsdagavond  13 september heeft Wethouder Leon van Noort zich genoodzaakt gevoeld om zijn functie te moeten neerleggen.

Wethouder van Noort is in een interpellatiedebat over de vertrouwensbreuk in het college niet overeind gebleven. Aanleiding voor dit interpellatiedebat, dat door de gezamenlijke oppositie partijen was aangevraagd, was het verschijnen van twee raadsbrieven over de ontstane prille relatie met een ambtenaar van de BAR-organisatie. Er was namelijk één raadsbrief namens het college zonder de inbreng van wethouder van Noort en een tweede van wethouder van Noort waarin deze, conform afspraken in het college, zijn kant van de zaak belichtte.

De inhoud van deze tweede brief was voor de collegeleden van EVB en D66 reden om het vertrouwen in van Noort op te zeggen.

Hoewel, na een interventie door  de fractievoorzitters van EVB, D66 en VVD,  het college aangaf eensgezind te zijn om het wederzijds vertrouwen te herstellen, bleek bij de beantwoording van de interpellatievragen het tegenovergestelde. In plaats van eensgezindheid werden de verschillen door alle individuele collegeleden uitvergroot waardoor de spanning niet afnam maar juist sterk werd vergroot. Voor de oppositiepartijen de reden om wethouder van Noort als  “de bron” van de vertrouwensbreuk middels een motie van wantrouwen de wacht aan te zeggen. De heer van Noort heeft de stemming over de motie niet afgewacht en de eer aan zich zelf houden.

De VVD fractie acht het wijs om even pas op de plaats te maken en in overleg met het bestuur te bezien welke vervolg stappen er genomen dienen te worden.